Columns Archives - Perswijn

Columns

Columns

Overpeinzingen: Goedkope wijn

Zaterdagavond zat ik te kijken naar een best vermakelijk programma over een zoektocht naar de ‘gemiddelde Nederlander’. Een speelse manier om te kijken naar hoe we ons met zijn allen gedragen en wat daarvan de gemiddeldes zijn. Dat de gemiddelde Nederlander bijvoorbeeld 3,1 keer per jaar naar IKEA gaat. En meer van dat soort zaken. De gemiddelde Nederlander is een spreekwoordelijk iemand, maar uiteindelijk wist het programma toch iemand te vinden die aan alle ‘voorwaarden’ voldeed om deze titel – letterlijk – te mogen dragen.

Tijdens de uitzending werd ook een fles wijn aangeschaft voor de gemiddelde prijs die een Nederlander daarvoor betaalt, zijnde € 3,44. Zijn fles kostte iets minder, logisch natuurlijk dat je geen fles voor exact die prijs kunt kopen. Het viel me eigenlijk nog mee, want ik had het idee dat de gemiddelde prijs onder de € 3 lag. Maar het blijft natuurlijk confronterend, zo’n bedrag voor een fles wijn. En dat in het besef dat het een gemiddelde is, en dat er dus ook nog veel wijn voor een lagere prijs per fles wordt verkocht. Terloops werd ook vermeld dat 77% van de Nederlanders zegt ‘geen verstand’ te hebben van wijn. Dat 23% denkt wél verstand van wijn te hebben, is dan weer goed nieuws. Dat is meer dan ik dacht, eerlijk gezegd. Misschien kunnen we er nog wat abonnees bij krijgen…

Het is fijn om te beseffen dat je in Nederland voor zo weinig geld een fles wijn kunt kopen, zeker als je weinig geld hebt. En het kan ook nog een fatsoenlijke wijn zijn. Leve de industrialisering van het wijnmaken en de toegenomen kennis van het werk in de kelder en in de wijngaard.

Toch is hier een keerzijde aan. De lage prijs moet wel ergens vandaan komen. En als we bedenken waar vandaan, dan worden we er niet vrolijk van. Zo werd me in de portstreek ooit verteld dat eeuwenoude, mooie terraswijngaarden moesten verdwijnen om goedkope port te kunnen maken. Spaanse wijnboeren op de hoogvlakte krijgen vaak niet meer dan 25 cent per kilo druiven – en nu met de covid-crisis nog minder, wat de kosten nooit kan dekken. Ze houden de wijngaard alleen maar uit trots, omdat hij al zo lang in de familie zit. En zij zijn niet de enigen. In Europa bestaat er geen Fair Trade keurmerk voor wijn. De supermarkt verdient meer aan de fles dan de boer, zoals ook bij melk gebeurt.

Een ander punt, waar niet iedereen bij stilstaat, is het gebruik van onkruidverdelgers om goedkope wijn te kunnen maken. Het weglaten van onkruidverdelgers kost geld. Het met de hand weghalen van onkruid is vrijwel onbetaalbaar. Maar ook machines die dat proces mechaniseren zijn duur, dus voor producenten van goedkope wijnen niet te betalen. In het komende nummer van Perswijn schrijft Kees van Leeuwen dat het gebruik van herbiciden de biodiversiteit in de bodem sterk verlaagt, dus in feite het leven doodt. Een hoogst onprettige bijwerking.

Ik gun iedereen zijn betaalbare fles wijn, maar het zou goed zijn als de ‘gemiddelde Nederlander’ zou beseffen dat zo’n goedkope fles daarmee eigenlijk een hoge prijs heeft. Maar gelukkig hoef ik dat de lezers van mijn overpeinzingen niet te vertellen…

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Schuldenberg horeca groeit

Ik ben het zat! Een goede vriendin van ons was duidelijk. De lockdown duurt nu wel lang genoeg. Misschien vooral ook omdat zo langzamerhand niet duidelijk is wanneer hij gaat eindigen. Dit is niet de plek om te discussiëren over de noodzaak van de lockdown. Dat laat ik graag over aan de praatprogramma’s met deskundigen, die het overigens ook niet erg met elkaar eens zijn. Elkaar tegensprekende grafieken met Britse varianten blijven over het scherm vliegen. Geen touw aan vast te knopen. En of de juridische basis voor de avondklok nu juist was of niet, hij blijft toch bestaan. Dus we zullen het er mee moeten doen.

Consequentie is dat we een van onze geliefde bezigheden, lekker uit eten gaan, voorlopig nog niet kunnen beoefenen. Helaas. Maar laat ik daar vooral niet te veel over klagen. Want het zijn natuurlijk de restaurants (en andere horeca) die het verschrikkelijk zwaar te verduren hebben. Het moet heel zwaar zijn om zo lang dicht te zijn, zonder perspectief over het moment van opengaan.

Van de week werd onze aandacht nog eens gevraagd voor dit probleem in een mail van de website wijnspijs.nl. ‘Momenteel is de gemiddelde schuld per restaurant ruim €90.000, de totale schuld in de Nederlandse Horeca bedraagt inmiddels bijna 3 miljard (CBS). Ook geeft 50% van de horeca-ondernemers aan het niet langer dan 6 maanden vol te houden (KHN). Help de horeca door dit onderzoek te publiceren op jullie kanalen en de problematiek onder de aandacht te houden. Er is een onderzoek uitgezet onder 1200 restaurateurs en er is ruim response (sic) geweest.’

Nu wil ik bij dit soort berichten niet meteen al te kritisch zijn, maar als je rekent dat er in Nederland meer dan 30.000 eetgelegenheden zijn, lijkt de opzet van deze enquête me vrij beperkt. Volgens de mail zijn zo’n 1200 restaurants benaderd, waarvan er ‘100+’ hebben gereageerd. Dat is niet veel. En omdat we niet weten of dit een – zoals statistici dat noemen – representatieve steekproef is, valt moeilijk in te schatten wat de steekproef waard is. Met name of de verdeling van de restaurants die hebben gereageerd een weerspiegeling vormt van de verdeling van de groep als geheel.  We kunnen er rustig van uitgaan dat de horeca een groeiende schuldenberg heeft, maar de getallen die worden genoemd – gemiddeld € 90.000 schuld per onderneming –  moeten we waarschijnlijk toch met een korrel zout nemen. Ik moet onwillekeurig even denken aan de modellen van het RIVM.

Bij WijnSpijs spelen andere belangen, zo lijkt het. Ze zijn daar op de een of andere manier ook wel eerlijk over. ‘Wijnspijs.nl organiseert sinds 2010 culinaire evenementen in samenwerking met de top van de Nederlandse en Vlaamse eetgelegenheden. Vanwege de maatregelen rondom COVID-19 is dit onmogelijk geworden en worden zowel de horeca als WijnSpijs bedreigt (sic) in hun voortbestaan.’ Dus nu nog het Nederlands een beetje op orde en de getallen correct, dan kunnen we WijnSpijs ook nog wat serieuzer nemen. Als ze straks nog bestaan, tenminste. Sneu natuurlijk om te proberen je eigen bekendheid te vergroten door te surfen op de golf van problematische schulden in de horeca.

Belangrijker voor mij is toch dat er zoveel mogelijk restaurants blijven bestaan. En dat er daadwerkelijk steun komt vanuit de overheid, zoals voor veel bedrijfstakken het geval is. Elk restaurant dat moet stoppen vanwege de problemen van COVID, is een gemis. En daar gaat het uiteindelijk om.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Scheiden doet lijden

Een paar van de meest bijzondere wijnbezoeken die ik in de loop der jaren heb gebracht waren in de Spaanse wijnstreek Ribera del Duero. Zoals dat aan Peter Sisseck van Dominio de Pingus, die ik in 2013 mocht interviewen, en met wie ik na wat schroom uiteindelijk tot een levendig en ook persoonlijk gesprek kwam. Dat ging onder andere over het verlies van zijn dochter, die vlak daarvoor op twintigjarige leeftijd met haar fiets in Kopenhagen was verongelukt. Het gesprek eindigde met een spontane lunch bij een eenvoudig lokaal restaurant, waar hij me liet genieten van het heerlijkste geroosterde lamsvlees. Zo’n dag vergeet je nooit. Later kreeg ik nog een mailtje van zijn secretaresse dat Sisseck het zo’n fijn gesprek vond. Prachtig toch?

Natuurlijk vergeet ik ook de visites bij Vega Sicilia niet, omdat alles aan dat bedrijf groots en meeslepend is – tot aan de prijs van de wijnen toe. Mooi natuurlijk, maar minder emotioneel. Eigenlijk vooral afstandelijk, aristocratisch.

Een ander bezoek dat me altijd zal bijblijven, was aan Alejandro Fernandez, van de beroemde Tinto Pesquera. Ik weet eerlijk gezegd niet meer exact wanneer dat was. Sinds 2002 helpt mijn archief met digitale foto’s me uit de brand. Maar dit moet zo halverwege de jaren negentig zijn geweest, misschien eerder. Het was destijds even zoeken naar de bodega, helemaal in the middle of nowhere, in het gelijknamige dorpje, dat zinderde van de zomerhitte. Alejandro Fernandez gold destijds als een van de grote vernieuwers van de streek, met krachtige, barrique-gerijpte wijnen. Helemaal naar de Parker-smaak van die tijd. Anders dan Vega Sicilia wilde hij wijnen maken van 100% tinta del país, de lokale variant van de tempranillo. Parker zelve lanceerde de wijnen in de jaren tachtig in de V.S. als dé nieuwe vondst van de streek, concurrent van het destijds almachtige Vega Sicilia.

Een interessante persoonlijkheid dus. Alleen was het probleem dat hij geen woord Engels sprak – en ik geen woord Spaans. Dat werd een lastig gesprek. Met handen en voeten en wat hulp van zijn dochters konden we het gelukkig een beetje oplossen. Maar mijn beste interview werd het niet, dat zult u begrijpen.

Ik moet hier aan terugdenken na het lezen van een bericht over de scheidingsperikelen van de inmiddels 87-jarige Alejandro Fernandez. Hij scheidde ruim drie jaar geleden – je bent nooit te oud om te scheiden, laten we maar zeggen – van Emilia Rivera Rueda. Sindsdien betwist zijn ex, samen met drie dochters, het recht van Fernandez – gesteund door de vierde dochter – om nog gebruik te maken van de merknaam Tinto Pesquera, ooit door hem bedacht en in 1989 als merk geregistreerd. Zijn ex ontzegt hem nu dat recht, als bestuurder van het door hen samen opgerichte bedrijf Alejandro Fernández Tinto Pesquera, S.L. Dit bedrijf zou eigenaar zijn van het merk, zo betoogt ze. Alejandro Fernandez is minderheidsaandeelhouder, dus heeft er geen zeggenschap over. Het kan best waar zijn, dat kan ik uiteraard niet beoordelen, en dat hoef ik gelukkig ook niet. Het is alleen treurig stemmend dat wijn, en in zo’n geval als dit ook veel geld, tot zulke ruzies kan leiden. En het is vooral treurig dat na vijftig jaar lang bouwen aan een mooi merk, het gebruik daarvan je wordt ontzegd door je ruziënde familie. Volgens zijn advocaten moet Fernandez het nu doen met een maandelijkse toelage van € 1500. Een schandalige fooi natuurlijk. Hij lijkt wel een beetje op een popartiest die zijn financiën niet goed heeft geregeld.

Maar of hij nu gelijk heeft of niet, mijn sympathie ligt bij hem, al is het maar vanwege zijn verdiensten voor de streek en voor het merk Tinto Pesquera. En die kunnen ze hem niet afnemen.

Ronald de Groot

p.s. Hier een recent artikel waarin duidelijk wordt dat Alejandro Fernandez door zijn vrouw en dochters in 2018 is ‘ontslagen’.

Columns

Overpeinzingen: Drooglegging

Terwijl we hier in Europa nog diep in de winter zitten, staat op het zuidelijk halfrond de wijnoogst al weer voor de deur. De oogst is een prachtig moment, normaal gesproken, waarin je als wijnboer de vruchten plukt van een jaar hard werken. Maar dit jaar roept de oogst ook gemengde gevoelens op. JD (Johannes Diederick) Pretorius, de wijnmaker van Warwick in Stellenbosch, die ik afgelopen week sprak over de bijzondere aanplant van cabernet franc van dit domein, bracht het mooi onder woorden. ‘We hadden een winter met goede regenval, gevolgd door een koele zomer. De oogst ziet er kwalitatief heel goed uit, maar zal relatief klein zijn. Maar eerlijk gezegd is dat op dit moment eerder een zegen dan een probleem. Op dit moment is er in Zuid-Afrika, sinds 28 december weer een verbod op de verkoop van alcohol, dus onze thuismarkt ligt grotendeels plat. Vandaar dat kleine oogst ons goed uitkomt, hoe vreemd het ook klinkt.’

Dat klinkt het inderdaad. Op de een of andere manier is de situatie in Zuid-Afrika uniek te noemen. Veel landen waar de wijnbedrijven door de crisis zijn getroffen, probeert de overheid ze te helpen met noodmaatregelen. In Zuid-Afrika helpen de noodmaatregelen de wijnindustrie juist de vernieling in. Het lijkt er sterk op dat de regering van president Ramaphosa gevoeliger is voor de krachtige anti-alcohol-lobby in zijn land dan voor die van de wijnboeren. Blijkbaar is deze lobby heel sterk. Ingewijden menen dat ook andere sentimenten een rol spelen. Zoals het altijd sluimerende idee dat te veel land in handen is van witte wijnboeren – landhervormingen worden af en toe besproken, en blijven op de achtergrond altijd meespelen.

Wat het voor de industrie moeilijk maakt is dat een vrij groot deel van de verkoop in Zuid-Afrika zelf plaatsvindt. Landen als Chili en Australië zijn meer op export gericht. Bovendien zijn ook de populaire restaurants op de wijngoederen gesloten en is er geen toerisme. En de twee vorige droogleggingen, vorig jaar, werden steeds weer verlengd, zodat ook niet bekend is hoe lang de situatie gaat duren.

De voorraden zijn enorm en de onzekerheid groot. Vinpro, de overkoepelende organisatie, schat dat nog zo’n twee derde van een normale oogst op voorraad is. En dat ondanks goede exporten in 2020. Zo is er domweg niet genoeg ruimte in de kelders voor de nieuwe oogst. Waarschijnlijk zal een deel moeten worden gedestilleerd en zullen producenten er voor kiezen een deel van de nieuwe oogst te verwerken tot druivenconcentraat voor verwerking in vruchtensappen. Of in arren moede druiven laten hangen. Geen prettig vooruitzicht, maar je moet wát.

Dat maakt de Zuid-Afrikaanse wijnproducenten tot een van de grootste slachtoffers van de COVID-crisis. En dat op een moment dat het land met zijn wijnen internationale faam had verworven. Nogal tragisch. Laten we hopen dat de wijnboeren het hoofd boven water kunnen houden, mede omdat wij hun wijnen kopen, als een van de belangrijkste exportlanden. Ik zou die wijnen niet graag missen.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Du Tertre, vijfde Grand Cru Classé te Margaux, verkocht

Het bericht, vorige week, dat Château du Tertre was verkocht, kwam voor mij enigszins als een schok. Het feit dat je daar in Margaux werd ontvangen door een Nederlandse directeur, Alexander van Beek, gaf op de een of andere manier toch een gevoel van thuiskomen. Ik ben er sinds de aankoop in 1998 meerdere malen met plezier geweest. Onder andere in 2003, voor een lunch met de inmiddels overleden eigenaar Eric Albada Jelgersma, die buitengewoon trots was op dit château. Zijn kinderen hebben besloten het verkopen aan de familie Helfrich (van Grands Chais de France) en een verzekeraar.

Aan de telefoon legt Alexander van Beek me de achtergrond van de beslissing uit. ‘Na het overlijden van Eric moest ik natuurlijk de strategie bespreken met de kinderen, Dennis, Derk en Valérie. Het blijft uiteindelijk ook een onderneming, en je moet naar de toekomst kijken. Du Tertre is nu zo’n beetje op zijn hoogtepunt. Toen we het kochten bestond het bijna niet meer,  we hebben er enorm veel werk verzet. Net als bij Calon-Ségur, destijds eveneens eigendom van de familie Gasqueton, was de wijngaard aangeplant met 6200 stokken per hectare. Dat is normaal 9200 tot 10.000. Bovendien waren alle wijngaarden van Du Tertre op hetzelfde moment geplant, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Dat betekent dus ook dat je alles tegelijk weer zou moeten vervangen, zodat je plotseling met een veel lagere productie zit. Dat wilden we veranderen, het moest een wijngaard met een lange termijnvisie worden. Vanaf begin hebben we daarom steeds een paar hectare vervangen. Nu is sinds 1998 in totaal 75% van de wijngaarden herplant. Ze beginnen weer wat op leeftijd te komen, en je kunt er nu de vruchten van plukken. Daardoor is de wijn ook veel beter in de markt komen te staan, met een wereldwijde distributie. En was het een goed moment om te verkopen.’

‘We zaten met het feit dat we twee châteaux in Margaux hadden, Du Tertre en Giscours, die heel verschillend zijn, met verschillende markten. Alle energie is eigenlijk al die jaren naar Du Tertre gegaan. We konden bij Giscours niet veel doen aan de gebouwen, vanwege de rechtszaken met de familie Tari, eigenaar van de gebouwen. Daarin is veel energie verspeeld. De problemen met Tari zijn nu grotendeels opgelost. In de laatste vijf, zes jaar heeft de exploitatiemaatschappij, van de familie Albada Jelgersma, ook meer land in bezit gekregen. Er is nu van twee kanten een betere samenwerking. Dus nu kunnen de noodzakelijke verbouwingen worden gedaan. Er is al veel in de wijngaarden gedaan, maar altijd met de handicap dat de kelder niet was aangepast aan een nauwkeurige, parcellaire productie, waar je kleinere gistingsvaten voor nodig hebt. Nu zitten we eindelijk in de goede situatie, op een uniek domein van 165 hectare, dus dat is heel mooi om mee te werken. We hebben hier alles. Het personeel woont op het château, met eigen vee, een moestuin, dus zoals het 100 jaar geleden was. Met magnifiek veel ruimte. Het geld van Du Tertre kan nu geïnvesteerd worden in Giscours, daar kunnen we nu echt gas gaan geven.’

‘En het was steeds moeilijker de twee domeinen naast elkaar te laten functioneren. De meesten zeggen, “ik vind deze lekkerder dan die”. Er is geen focus op de persoonlijkheid van de wijn, maar alleen of de een beter is dan de ander. Het is net als twee zoons. De ene staat meer op de voorgrond, ten koste van de ander. Du Tertre blijft zo in de schaduw van Giscours. Het kan nu als apart château gaan stralen. Het was wel een domein waar de familie erg aan gehecht was geraakt, ze hebben daar ook hun huwelijk gevierd. Maar dit is strategisch de beste keuze. De familie is ook ondernemer. We kunnen ook nog meer het accent leggen op Caiarossa, in Toscane. De kinderen staan er ook voor open om in andere regio’s te kijken naar nieuwe mogelijkheden.’

Tja, ik kan er natuurlijk sentimenteel over doen, maar achter de romantiek van de mooie wijnen uit dit deel van de Bordeaux schuilt ook gewoon het spel van het ‘grote geld’. Zaken zijn zaken. Gelukkig kan ik voor het ‘Hollandse’ gevoel nog altijd terecht op Giscours.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen op maandag: Big deal

Afgelopen week was ik even ‘ontsnapt’ naar Chablis. Uiteindelijk moet er toch geproefd en geschreven worden. En via zoom werkt wel, maar toch gemankeerd. En, het moet gezegd, in Frankrijk zijn ze wat covid betreft niet van de Franse slag. Ik zat in mijn eentje in een hotel en kreeg ’s avonds een dinerplateau om in m’n eentje op te eten. Een soort van quarantaine in Frankrijk – dat overigens van Nederlanders geen quarantaine eist. De proeverij deed ik in een apart kamertje, waar een vriendelijke dame met mondkapje af en toe een trolley met proefflessen naar binnen rolde. Op reis gaan is op die manier te doen, maar wel ontdaan van elke vorm van romantiek.

Ik had één avond vrijaf voor een diner in l’Obédiencerie met Laroche-wijnmaker Grégory Viennois en Thierry Bellicaud, de ‘baas’ van Laroche en het Bourgognehuis Champy, beide eigendom van Advini. Zo’n avond zie je goed wat de meerwaarde is van een persoonlijke ontmoeting. Je kunt het even over allerhande zaken hebben die in een zoom-meeting niet aan de orde komen.

Een onvermijdelijk gespreksonderwerp is – uiteraard – de covid-crisis. Een bedrijf als dit, de combinatie van Laroche en Champy, heeft enorm te lijden van de crisis. De wijnen gaan bijna allemaal naar de horeca, en die is wereldwijd gesloten of heeft op zijn minst sterk te lijden van de crisis. De verkopen via internet kunnen dat lang niet compenseren. Wat voor dit soort bedrijven meespeelt, is dat de uitvoer naar de belangrijke Amerikaanse markt sinds vorig jaar is belast met 25% strafheffing voor de subsidies aan Airbus.

Naar aanleiding daarvan volgde een mooie anekdote over deze Amerikaanse importheffingen. Ik heb natuurlijk al vaker over dit fenomeen geschreven. En als wijnjournalist schrijf je dan keurig op dat champagne en cognac van deze heffing zijn uitgezonderd. Maar waarom is dat eigenlijk zo? Daarvoor werd hier aan het diner een mooie verklaring gegeven. Het blijkt dat Bernard Arnault, de baas van LVMH en Donald Trump goede bekenden van elkaar zijn. In de periode dat de heffingen werden opgelegd hebben de mannen elkaar ook ontmoet. Om precies te zijn op 17 oktober kwam Donald Trump een atelier van Louis Vuitton-tasjes openen dat LVMH in Texas heeft neergezet. Arnault, een van de rijkste mensen ter wereld en CEO en groot-aandeelhouder van LVMH, kent Trump al sinds de jaren tachtig, toen hij enige tijd in de V.S. woonde omdat Frankrijk ‘te socialistisch’ werd. De opening van dit atelier paste perfect in het streven van Trump om ‘banen terug te halen’ naar de V.S. Een streven waaraan LVMH zich ook had gecommitteerd. De CEO van Louis Vuiton, Burke, benadrukte overigens dat het alleen om het creëren van banen ging, en niet om een ‘politiek statement’. Destijds was er al kritiek om deze samenwerking, en nu is het allemaal in een nog lastiger daglicht komen te staan.

Maar het verklaart achteraf waarschijnlijk inderdaad dat cognac en champagne niet onder de heffingen vielen. LVMH is hier met zijn champagnemerken -Moët, Veuve Clicquot, Ruinart, etc. – en zijn cognac -Hennessy – zeer bij gebaat. Ook Franse fashion-producten werden, ondanks eerdere plannen, uitgezonderd van de heffingen als vergelding van de invoering van Franse wetgeving om grote techbedrijven te belasten.  Zo is goed te zien dat relaties tussen belangrijke zakenmannen een grotere rol kunnen spelen in de internationale politiek dan menigeen denkt. Toch nog verrassend, wat mij betreft.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen op maandag: Duurzaam op weg naar de toekomst

Hoewel de huidige covid-crisis ons allemaal in de greep heeft, moeten we toch ook weer vooruit kijken naar een covid-vrije toekomst. Laten we hopen dat die ooit weer komt, en dat het niet al te lang gaat duren. Als ik het zo mag inschatten, is duurzaamheid een van de belangrijkste kwesties van de komende jaren. Ik sprak afgelopen week (onder andere) hierover met Jacques Lurton – via Zoom uiteraard. Sinds het overlijden van zijn vader André in 2019, is hij verantwoordelijk voor de wijnzaken van Vignobles André Lurton in Bordeaux. Hij stelt dat de moderne wijndrinker niet meer wordt aangesproken door het ‘romantische’ van een fles wijn. Nee, men wil tegenwoordig juist alles weten, en met name hoe de wijn is geproduceerd, en of dat wel duurzaam genoeg is. Nu zullen niet alle wijndrinkers daarmee bezig zijn, maar een trend is het zeker wel.

Een bedrijf als dat van de familie Lurton moet het doen binnen de klassieke kaders, zoals met de druiven die in Bordeaux zijn toegestaan. Elders in Frankrijk is meer ruimte voor experimenteren. Op een lijst van de twintig meest inspirerende Franse wijnpersoonlijkheden van de website vitisphere.fr vinden we bijvoorbeeld een producent van wijnen bij Montauban, in de buurt van Toulouse: Mickaël Raynal. Deze heeft veel succes met een wijn op basis van souvignier gris. Deze hybride druif, een kruising van cabernet sauvignon en bonner – geen vitis vinifera dus – is pas sinds 2017 in Frankrijk toegelaten, omdat dat land zich lang tegen het gebruik van hybride druiven heeft verzet. Maar het feit dat zulke druiven resistent zijn tegen meeldauw en oïdium, en dus veel minder vaak behandeld hoeven te worden, heeft kennelijk toch de doorslag gegeven. Inmiddels mag Mikaël Raynal hem zelfs gebruiken voor de IGP Comté Tolosan van zijn Domaine de Revel – voor Frankrijk een ware revolutie.

Voor Nederland is de souvignier gris een stuk minder revolutionair. Deze roze druif wordt hier enige tijd gebruikt voor het maken van witte wijnen. Wij werden er in het verleden vaak van verdacht tegen het gebruik van hybride druiven te zijn, maar dat is toch echt een misverstand. We zijn gewoon tegen wijnen die niet lekker zijn. En het valt moeilijk te ontkennen dat in het verleden met hybride druiven gewoon geen lekkere wijnen werden gemaakt, zoals gortdroge wijnen op basis van regent. De naarste wijn van hybriden proefde ik overigens ooit in Brazilië. Absoluut ondrinkbaar, voor onze smaak althans.

Bij onze meest recente proeverij van Nederlandse wijnen, eind 2019, beoordeelden we een aantal wijnen van souvignier gris, maar ook van johanniter en solaris zonder meer positief. Het is natuurlijk ook zo dat wijnmakers steeds meer bijleren over de verzorging en de vinificatie van hybriden. En het lijkt er ook op dat steeds weer nieuwe rassen worden ontwikkeld die in smaak nog beter aansluiten bij wat we gewend zijn van ‘klassieke’ rassen. En wellicht komen er straks ook niet-hybride druiven op de markt met een betere resistentie tegen bijvoorbeeld meeldauw. Hoe dan ook, dit soort ontwikkelingen zijn veelbelovend, en van groot belang voor meer duurzaamheid in de wijnbouw, een tak van landbouw waar monocultuur en veel spuiten toch een beetje op hun eind zouden moeten lopen.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen op maandag: Vooruitzichten

De jaarwisseling is een moment van terugblikken en vooruitkijken.  En van goede voornemens. Nou ja, ik zal het maar eerlijk opbiechten: dry January is niets voor mij en roken heb ik al nooit gedaan. Ik denk dat ik het op mijn leeftijd met een paar glazen wijn per dag ook nog wel een tijdje kan volhouden, zonder een maand over te slaan.

Terugblikken was dit keer niet zo aantrekkelijk. 2020 was een gedenkwaardig jaar – maar niet omdat het zo positief was. Des te meer is het een moment van vooruitblikken, van nieuwe hoop, terugkeer naar ‘normaal’. Maar hoe dat ‘normaal’ er uit zal zien, en wanneer het komt, tja, dat is nog knap lastig te voorspellen.

Het is niet zo moeilijk uit te rekenen dat het niet voor de zomer zal zijn dat we weer wat rustiger kunnen ademhalen, gezien het tempo waarin de vaccinaties zullen gaan plaatsvinden. Een optimist zal vinden dat die paar maanden er ook nog wel bij kunnen. Zelf ben ik eerlijk gezegd een tikje ongeduldig, maar dat zit in mijn karakter. Maar natuurlijk ook in mijn werk. Al die onzekerheden. Hoe moet het met de proeverij van de UGCB op 8 maart? Kan ik mijn primeurproeverijen van de oogst 2020 in Bordeaux van begin april gaan plannen of niet? Natuurlijk niet van levensbelang allemaal, dat snap ik. En het belangrijkste is gezond blijven – dat voor alles.

En hoe gaan we ons straks weer gedragen als de beperkingen zijn opgeheven? Daar is al veel over gezegd en geschreven, en ook dat lijkt me lastig te voorspellen. Dat thuiswerken bijvoorbeeld de ‘norm’ wordt, dat geloof ik niet. Je kunt aan de verplaatsingscijfers van Google zien dat zelfs tijdens de huidige strenge lockdown meer mensen naar kantoor gaan dan in de eerste lockdown. De mens is een sociaal dier, en hoewel veel gemopperd wordt om ‘het kantoor’, wordt het gesprek bij de koffie-automaat met die betweterige collega toch ook gemist. En dat los van het feit dat bij veel beroepen je fysieke aanwezigheid gewoonweg noodzakelijk is.

Toch zou ik me kunnen voorstellen dat we met zijn allen ook hebben geroken aan nieuwe mogelijkheden. Misschien dat er een nieuwe balans komt tussen werken thuis en op kantoor. Voor ons meer interviews op afstand, met de flessen keurig op kantoor. Wie weet. Het werkte wel.

In de NRC van afgelopen zaterdag stond een interessant artikel over het nieuwe zelfbewustzijn van restaurants. Flink wat restaurateurs hebben geïnvesteerd in een eigen webshop voor bezorgen en afhalen, zo vertelt software-ontwikkelaar Raymond Wilders van Formitable. Het bestellen van maaltijden zal ongetwijfeld weer afnemen, maar deels ook een blijvertje zijn, is het idee. Met een webshop kun je als restaurant op meer verschillende manieren je geld verdienen. Bovendien kun je uit de greep blijven van platforms die commissie vragen, zoals The Fork, Deliveroo en UberEats. Dat is naar mijn idee ook gunstig voor de klant zelf, want die commissie moet ergens van betaald worden. The Fork (voorheen Iens) bijvoorbeeld is op het eerste gezicht een website waarop consumenten gezellig restaurants beoordelen, zodat anderen daar hun voordeel mee kunnen doen. Maar het verdienmodel zit in de reserveringen. Doe je als restaurant niet mee? Dan vertelt The Fork je dat je ook kunt kiezen voor een ‘alternatief’ restaurant, dat wél via het platform kan worden gereserveerd. Een slinkse manier om toch commissie op te kunnen strijken.

Ook hebben restaurants gemerkt dat gasten bereid zijn hun maaltijden zelf op te halen, waardoor ze het gebruik van bezorgdiensten kunnen indammen. Als dit het effect is van de lockdown is, dan komt er toch nog iets goeds uit voort.

Ik wens u een goed en vooral gezond 2021, en vooral weer de vrijheid om van goede restaurants te genieten op de manier die u het fijnst vindt. Dan kan ik dat ook.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen op maandag: Nakomertjes

Het leven van de wijnschrijver in covid-tijd speelt zich vooral af in de eigen proefkelder. Of aan de proeftafel in de keuken, en in de zomer buiten – de fijnste plek. Reizen is er de afgelopen maanden ook niet meer bij.

Columns

Overpeinzingen op maandag: Kurk doet er toe

Afgelopen week kwam hier een eerste zending binnen uit Bordeaux van wijnen uit de jaargang 2010. Te laat helaas om ze nog dit jaar te kunnen publiceren. Met dank aan het confinement – Fransen zullen nooit Engelse woorden als lockdown overnemen. In elk geval vanuit Frans oogpunt een onvermijdelijke vertraging. De wijnen uit de Médoc moeten zelfs nog komen. Onder normale omstandigheden zou ik in oktober naar Bordeaux zijn afgereisd voor de proeverij, maar dat kon dit jaar uiteraard niet. Ondanks de vertraging, die er voor zorgt dat de wijnen pas in nummer 1 aan bod komen, is het feit op zich dat ik ze hier in alle rust kan proeven ook een soort luxe. Fijn op het gemak de wijnen vergelijken en proeven, aan de keukentafel. Het heeft wel wat.

Bij de eerste zending, van de wijnen uit Pessac-Leógnan, zaten een paar witte wijnen met een schroefdop. Onder andere grand cru classé Couhins-Lurton. Het deed me onmiddellijk terugdenken aan een discussie bij mijn laatste bezoek aan dit château met Christine Lurton van Vignobles André Lurton. Ze vertelde dat ze inmiddels waren teruggekeerd naar de klassieke kurk, omdat ‘de markt’ een schroefdop op een grand cru classé domweg niet accepteerde. Wat mij betreft jammer. Als je de 2010 nu proeft, dan zie je onmiddellijk het voordeel van de schroefdop: deze witte wijn is nog zo fris als een hoentje. Vreemd eigenlijk, van die schroefdop, want vrijwel alle topwijnen van een streek als de Wachau zijn met een schroefdop gebotteld, en kennelijk vindt niemand dat erg. Dat zegt blijkbaar iets over het type publiek dat de ene wijn of de andere koopt. Bij een grand cru classé uit de Graves is dat dan toch conservatiever, zo lijkt het.

Maar de ene kurk is de andere niet. Want dit schroefdopeffect kun je ook bereiken met een kurk, zo legde haar broer Jacques Lurton me later uit. Rond het overlijden van zijn vader André heeft hij de verantwoordelijkheid voor het wijnmaken van de châteaux van Vignobles Lurton weer op zich genomen, na een jarenlang verblijf als wijnmaker op Kangaroo Island, aan de Australische zuidkust. In zijn jonge jaren maakte hij de ’90 Couhins-Lurton, en ook deze wijn was opmerkelijk jeugdig bij een proeverij op Domaine de Chevalier. ‘We gebruikten destijds kurken met een speciale coating, waardoor ze heel dicht waren en heel strak in de fles zaten. Sommeliers vervloekten ons, want hij was bijna niet uit de fles te krijgen. Maar het effect op de wijn was vrijwel hetzelfde als dat van een schroefdop.’ Waarvan akte.

Een bekend bezwaar tegen dit effect van schroefdoppen is dat de wijnen daardoor minder ‘rijpingsaroma’s’ krijgen, die wijnen met een kurk, door de kurk zelf of door een geleidelijke oxidatie, wel krijgen. Mijn ervaring is dat het daarmee wel meevalt. Bovendien heb ik al te veel vroeg oxidatieve wijnen met een kurk geproefd om daar behoorlijk genoeg van te hebben.

Behalve dat een schroefdop ervoor zorgt dat de wijn jeugdig blijft, zorgt hij dat de wijn geen ‘kurk’ krijgt. Hoewel ‘kurk’ tegenwoordig veel minder vaak voorkomt dan vroeger, blijft het een naar probleem, dat zelfs bij lage concentraties TCA (trichlooranisol), het stofje dat die nare, muffe geur en – smaak veroorzaakt. Je neemt het waar boven de 5 nanogram/l, en het bederft een wijn volledig.

Dus, hoe weinig romantisch ook, ik ben blij met een goede schroefdop.

Ronald de Groot

1 2 3 61
Page 1 of 61