Columns Archives - Perswijn

Columns

ColumnsNieuws

Bordeaux 2025 en primeur: kopen of niet?

Er zijn vragen waar ik domweg geen antwoord op kan geven. Gelukkig niet. Als ik alles (van te voren) zou weten, dan zou dat nogal ongezond zijn. Wel kan ik bij de vraag in de kop wel bespiegelingen opschrijven – overpeinzingen zo u wilt. 

Een eerste betreft de kwaliteit van de jaargang. Zoals straks te lezen valt in het volgende nummer, Perswijn #4, ben ik over de wijnen van 2025 ronduit enthousiast – waarbij uitzonderingen, als altijd, de regel bevestigen. Als je in april bij de châteaux langs gaat en alle gezamenlijke proeverijen bijwoont, is het natuurlijk nog vroeg. Maar het proeven van veel wijnen was ronduit een plezier. Ik kan me nog herinneren hoe het, pakweg, dertig jaar geleden was. Een jaargang als 1996 was hard en vrij zuur om te proeven en primeur. Sindsdien is er in Bordeaux veel veranderd.

In de eerste plaats het klimaat. De omstandigheden zijn veel extremer, met veel meer hete dagen, en dus verdamping van water. Wat leidt, in elk geval in 2025, tot dikke schillen en weinig sap – dus concentratie en lage opbrengsten. De verhouding tussen schillen en sap maakt dat het gevaar bestaat dat de wijnen te veel tannine hebben, en te droog zijn. Maar de châteaux weten tegenwoordig heel goed hoe ze dit, door een zorgvuldige gisting en minder nieuw hout, in de hand kunnen houden. Bijvoorbeeld door gisting op lagere temperaturen dan voorheen.

Volgens de producenten is de bijzondere kwaliteit van de jaargang te danken aan een koele periode, met wat regen, vanaf half augustus. Koele nachten in september en wat broodnodig regenwater deden wonderen voor fruit en frisheid. Mede door een alcoholgehalte dat door de bank genomen zo’n 1 à 1,5% lager ligt dan in 2022 – een essentieel verschil.

Toch zijn niet alle wijnen top. Onder deze omstandigheden hebben lichtere, drainerende ondergronden met veel zand en/of kiezel het het lastigst. Denk aan de Graves, Pessac-Léognan de Pomerol buiten het centrale kleiplateau en Lalande-de-Pomerol.

De wijngaarden op de heuvels rond Saint-Émilion, met hun ondergrond van kalkrots, doorstonden de droogte juist perfect. Daar zijn zeer goede wijnen gemaakt, net als centraal op het plateau van Pomerol. Ook in de gemeenten van de Médoc, zoals Margaux, Saint-Julien en Pauillac zijn een aantal prachtige wijnen gemaakt, heel verleidelijk en gepolijst. 

Is het reden om de wijnen ‘en primeur’ te kopen? Dat hangt naar mijn smaak af van welke wijn, en je persoonlijke voorkeuren. Zo om me heen hoor ik als argument dat er ook oudere jaren op de markt zijn, zoals 2016 of 2020, met prijzen die relatief gunstig zijn – zodat ze 2025 beconcurreren. Ik denk dat waar kan zijn, maar niet voor bepaalde veel gezochte wijnen. En 2016 is groot, maar 2020 is naar mijn smaak van een lager niveau dan 2025. De prijzen zijn nu in elk geval gunstig. Van te voren werd gezegd dat een prijsverhoging ten opzichte van het veel mindere 2024 er niet in zou zitten. Maar de wijnen die tot nu toe zijn uitgekomen, durven – op de Sauternes na – een kleine prijsverhoging toch aan. Niet onlogisch, gezien de topkwaliteit en de extreem kleine oogst. Het lijkt er op dat de markt de meest interessante wijnen toch oppikt. David Bolomey (www.bolomey.nl) bevestigt dat de campagne hier in Nederland ‘best goed loopt’. Met een wijn als Pontet-Canet als duidelijke uitschieter. Ik denk dat voor de liefhebbers genoeg mooie wijnen te koop zijn. Denk aan wijnen als Canon, Clos Fourtet, Pavie-Macquin, Conseillante of Vieux-Château-Certan, om een aantal wijnen te noemen die groots zijn, maar niet de prijzen vragen van de allerberoemdste châteaux. In de appellation Margaux zijn ook fraaie wijnen gemaakt, zoals Giscours, Dauzac en Rauzan-Ségla. Het zijn maar voorbeelden, er is veel meer.

Peter Sisseck, de grote man achter Pingus (Ribera del Duero) en tegenwoordig producent in Saint-Emilion (Château Rocheyron – ook een prachtige wijn), vat de situatie bondig samen: ‘De wijnen van Bordeaux zijn nog nooit zo goed geweest. Maar het probleem is dat niemand ze wil kopen.’ Nou, wij wel. Er is geen wijnstreek te bedenken die in een jaar als 2025 zulke grote hoeveelheden goede, eigentijdse wijnen produceert als de Bordeaux.

Onze notities komen in de loop van de week online voor abonnees.

Ronald de Groot, hoofdredacteur.

Columns

Overpeinzingen: Kurkentrekkerheimwee

Afgelopen week waren we afgereisd naar het zuiden van de Pfalz, naar het dorpje Leinsweiler. Het slaperige dorpje, waar je niet eens een bakker kunt vinden, is onderdeel van de Südliche Weinstrasse van de Pfalz. Dit is de weg die leidt langs alle wijndorpen van de streek. Dat klinkt natuurlijk mooi, maar de realiteit is dat dit deel van de Pfalz, ten zuiden van Neustadt an der Weinstrasse, maar weinig bezoekers trekt. Hoogstens wat mensen die op zoek zijn naar rust en die graag wandelen of fietsen in de prachtige, beboste heuvels van de streek – zeer de moeite waard. Qua sfeer en uitstraling zou je je bijna in de Elzas kunnen wanen. Sterker nog, dit deel van de Weinstrasse was in de tijd van Napoleon Frans grondgebied. De druiven die hier staan aangeplant, zoals weissburgunder, grauburgunder en pinot noir doen ook eerder denken aan de Elzas dan aan Duitsland. Dat heeft overigens ook met de klimaatopwarming te maken. Maar de wijnen hebben hier niet de reputatie van de meer noordelijke gemeenten.

Een van de weinige ‘attracties’ van Leinsweiler is het kurkentrekkermuseum. Nou ja, museum is een groot woord voor een soort huiskamer vol met historische kurkentrekkers. Voor ons een wandeling van ruim tien minuten om er te komen. Onderweg zegt een voorbijganger, die vraagt waar we heen gaan, dat we alleen met een ‘Termin’ naar binnen mogen. Gelukkig hebben we die. Het museum heeft dan ook geen officiële openingstijden, je moet eerst bellen of mailen om te vragen of je ontvangen kunt worden. Maar we hadden geluk. Als we in de ochtend bellen, krijgen we te horen dat degene die het museum beheert – in haar woonhuis, Annette Minges, ons om twaalf uur kan ontvangen. 

Het blijkt een bijzondere ervaring. Nog nooit werden we in een museum zo persoonlijk ontvangen. De trots straalt er van af, net als het enthousiasme. Ze vraagt of we weten hoe lang er al kurkentrekkers worden gebruikt. Een jaar of 250, zouden we zo denken. Ja, grappig, veel mensen zeggen iets van 3000 jaar. Maar hoewel er destijds wel wijn was, waren er nog helemaal geen kurken. Ze vertelt dat de Engelse adel een methode zocht om de flessen port op een goede manier af te sluiten. In de portstreek was kurk voorhanden, en dat was een perfecte oplossing. De oudste kurkentrekker in haar verzameling dateert dan ook uit de periode 1780 tot 1790. In de eeuwen daarna was de kurkentrekker een onuitputtelijke bron van inspiratie. Vooral de kleinste kunstwerkjes zijn heel bijzonder. Kurkentrekkertjes voor de picknick, of geïntegreerd in een piepklein wijnvaatje, bijvoorbeeld. En, kurkentrekkers waren ook een echt ‘mannending’, aldus Annette. Ze toont ons kurkentrekkers die niets aan de verbeelding overlaten, met gespreide benen en een levensecht geslachtsdeel. Dat van de vrouw aan de ene kant en de mannelijke versie aan de andere kant. Daarnaast minuscule versies van de kurkentrekker voor poppenhuizen en heel grote, als decoratie voor in een wijnbar of café. En allerlei versies met hefbomen, om de kurk er gemakkelijker uit te krijgen. Aan de muur catalogi van Christie’s. Dat veilinghuis organiseerde in de jaren negentig zelfs nog veilingen met alleen maar kurkentrekkers. Das war einmal. Ook vlooienmarkten en andere gelegenheden om aan bijzondere kurkentrekkers te komen, zijn een beetje opgedroogd. De tijd om op dat soort plekken bijzondere vondsten te doen, ligt al lang achter ons. 

Wat ze van de schroefdop vindt? Wellicht prozaïsch, maar voor witte wijnen is het een perfecte oplossing, vindt ze. Dus voor haar geen heimwee naar de kurkentrekker.

We mogen pas weg na het nuttigen van een glas loepzuivere Riesling. Van welk domein wil ze niet zeggen, dat is haar ‘Geheimtip’. Misschien een volgende keer. 

Ach, de kurkentrekker.  Wat zouden we zonder moeten? We zijn een mooie ervaring rijker.

Ronald de Groot, hoofdredacteur

Columns

Overpeinzingen: Médoc blanc: oplossing of niet?

Tijdens de primeur-proeverijen van afgelopen tijd hadden we een échte primeur. Voor het eerst proefden we Médoc blanc. Natuurlijk, de trend dat steeds meer bekende châteaux ook witte wijnen maken, is er al jaren. Sommige witte wijn hier bestaan al heel lang, zoals de Pavillon blanc van Château Margaux. Nu de verkoop van rode wijnen flink stagneert, is de trend naar meer wit alleen maar sterker geworden, en komen er steeds meer. Het lukte de producenten in de Médoc daarmee iets wat de châteaux in de Sauternes, door onderlinge strijd, al jaren niet lukt: het creëren van een eigen appellation voor wit. 2025 is de eerste jaargang voor deze nieuwe appellation.

Belangrijk was de eensgezindheid die hier leefde om dit voor elkaar te krijgen. Zo moest er besloten worden over welke druiven zijn toegestaan en hoe de wijn opgevoed moet worden.

De keuze voor de belangrijkste druiven is niet zo verrassend: sauvignon blanc, sauvignon gris, sémillon en muscadelle. Bij de aanvullende druiven zitten voor mij wel wat verrassingen, met onder andere alvarinho, floréal, liliorila, sauvignac en souvignier gris. Van deze druiven mag de aanplant overigens niet groter zijn dan 5% van het totaal, en maximaal 10% in de uiteindelijke blend, maar toch. Het laat een paar dingen zien. In de eerste plaats dat Bordeaux, zeker nu de crisis toeslaat, een van de streken is waar de bereidheid bestaat om te innoveren, zoals met deze nieuwe druiven. Daarnaast laat het ook zien dat de Franse organisatie die de appellations vaststelt, het INAO, tegenwoordig bereid is om sneller nieuwe appellations goed te keuren, zodat er op dit punt meer flexibiliteit komt.

Voor de opvoeding is vastgesteld dat minimaal 30% van de wijn gedurende ten minste zes maanden in eikenhouten vaten moet rijpen. Zo krijgt de wijn wat rijkdom en enige houtinvloed, maar kan hij ook nog fruitig van karakter zijn. Uiteraard is meer houtrijping ook toegestaan als het doel is een krachtiger stijl wit te maken.

De vraag is natuurlijk hoe belangrijk deze nieuwe appellation is. Zeker is dat sommige châteaux het belang niet zien. Ach ja, Premiers Grands Crus Classé’s als Mouton-Rothschild of Margaux verkopen hun witte wijnen toch wel, hun status zorgt daar wel voor. Het is bemoedigend dat tweede crus als Pichon-Baron en Brane-Cantenac wél van de partij zijn. Les Griffons blanc van Pichon-Baron, bijvoorbeeld, is een serieuze wijn, houtgegist, op basis van 100% sémillon.

Op Cos d’Estournel kregen we te horen dat de kat – welwillend – even uit de boom wordt gekeken. Ook sommige oudgedienden, zoals de Caillou blanc van Talbot, zijn van de partij. Château Léoville-las-Cases gaat zijn eigen weg, met een wijn die voor de helft bestaat uit roussanne en marsanne, en die dus als Vin de France op de markt komt. Hij werd met enige bombarie in de nieuwe kelder gepresenteerd – hier trekt men zich al jaren niets van de goegemeente aan.

Hoe dan ook, het feit dat het wordt geprobeerd, en dat er meer serieuze witte wijnen worden gemaakt, lijkt me positief. Het voordeel van de nieuwe appellation is dat het ook meteen een bekende naam is – Médoc klinkt al vertrouwd. Het nadeel is natuurlijk – ik hoor het u denken – wéér een appellation er bij. Ik denk dat het voordeel tegen dit nadeel kan opwegen.

Nu op naar ‘Sauternes Sec’. Maar dan moeten de châteaux het daar ter plekke eerst wel over eens worden. En daar ziet het (nog) niet naar uit.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Crisis in vatenland treft wijnproducenten

Als je werkt aan je artikel over de nieuwe oogst van top-Bordeaux, gepresenteerd tijdens de primeur-proeverijen, dan ben je noodgedwongen verplicht in een moordend tempo door de wijngaarden van de Bordeaux te racen. Een soort militaire operatie, met elk uur, en vaak zelfs elk half uur een afspraak bij een château. We maken een programma waarin de rijtijden tussen de châteaux zo kort mogelijk zijn – een hele puzzel. Het zijn vrijwel allemaal châteaux die niet bereid zijn hun wijnen te presenteren bij een van de overzichtsproeverijen. Aan één kant interessant, omdat je uit de eerste hand hoort hoe de afgelopen jaargang verlopen is. Aan de andere kant irritant, omdat het veel tijd en kilometers kost.

Maar het bracht dit jaar ook een ander inzicht. Nooit zag ik in Bordeaux zoveel verlaten wijngaarden als dit jaar. Wijngaarden waarin niet de moeite was genomen te snoeien, zodat ze er verwilderd uitzagen. Vooral in de Médoc zagen we er flink wat, zelfs bij appellations als Moulis en Listrac. Een beklemmend en deprimerend gezicht. Het laat goed zien hoe de crisis hier toeslaat.

Maar ook werd in deze week duidelijk dat op de achtergrond nog veel meer speelt dan je denkt. Zo kwamen we bij meerdere châteaux die geraakt werden door een van de opzienbarendste liquidaties in wijnland van de afgelopen tijd. Ik schreef er al kort over in de laatste editie van Perswijn: het grootste bedrijf in de verhuur van wijnvaten ging dit voorjaar ten onder. Het is eerlijk gezegd iets waar ik nooit bij stilstond. Als je door de kelder met wijnvaten loopt, ga je er bijna vanzelfsprekend van uit dat de vaten van het château zijn. Nee dus. Het bedrijf, H & A, had 2000 klanten, waaraan het in totaal zo’n 1 miljoen vaten had geleased. Het leasen van barriques bleek net zo gemeengoed als het leasen van auto’s. De consequenties van zo’n zaak zijn groot en soms zelfs lastig te overzien. Arjen Pen, van château Branas-Grand-Poujeaux – waar een heel fraaie ’25 is gemaakt- legde het even uit. ‘Voor ons was dit een handige constructie. Als je vaten koopt, moet je veel geld investeren. Nu krijg je gewoon een rekening per maand. Maar vooral het verkopen van gebruikte vaten is een hele heisa. Bij deze leaseconstructie ben je daarvan af; dan geef je de vaten na gebruik weer terug. Dus voor ons was het een flinke schrik. Je hoort dat het bedrijf dat eigenaar is van de vaten in je kelder failliet is. Een van de vatenmakers had dat faillissement aangevraagd, omdat de afgenomen vaten niet betaald waren. Achteraf hadden we geluk, want de vaten in onze kelder waren wél betaald, en konden dus niet worden teruggehaald.’

Niet iedereen kon dit zeggen. David Eads van Clos Dubreuil meldde dat hij een flink bedrag op tafel moest leggen om zelf eigenaar van de vaten in de kelder te worden. Hoe dan ook, zo’n faillissement heeft veel consequenties voor de wijnproducenten, die toch al in een lastige positie zitten. Sommigen hebben nog geld tegoed van het bedrijf, anderen kunnen de barriques die ze niet meer nodig hebben niet meer retourneren. Bovendien is de mogelijkheid om vaten te leasen voor velen, in elk geval op korte termijn, weggevallen.

Het laat zien hoe de verschillende sectoren van de wijnproductie met elkaar verbonden zijn en hoe de crisis overal toeslaat. Het is een signaal hoe ver de impact reikt. En we kunnen er ook van uit gaan dat dit niet het laatste faillissement in deze geplaagde sector zal zijn. Een beklemmende gedachte.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Keeping up appearances

Deze week ben ik in Bordeaux voor de proeverij van de primeurwijnen, de wijnen van 2025, die nu op vat liggen. Het publicitaire circus van Bordeaux draait op zo’n moment op volle toeren. Bij aankomst woensdagochtend was circus van Smith Haut Lafitte al geopend. De paarden waren van stal gehaald en liepen door de wijngaard, om het biodynamische karakter te onderstrepen. Nou ja, het is ook wel bijzonder. Maar het laat je ook zien dat er hard aan het imago wordt gewerkt, wat eigenaresse Florence Cathiard wel is toevertrouwd.

Als je hier bent, weet je het meteen weer: in Bordeaux zijn ze meesters in het verkopen van de meest recente jaargang – 2025 inmiddels. De laatste jaargang is altijd de beste, laten we maar zeggen. Nou ja, bij de jaargang 2024 was dat nooit vol te houden, dus moest dat ‘toch wel meevallen’. Het verkopen van de laatste jaargang ‘en primeur’ is sinds een jaar of dertig, langer zelfs, een soort routine. Maar in deze tijden is niets meer routine. Maar, toegegeven, 2025 is voor veel châteaux een goed jaar.

In Bordeaux zijn de châteaux gebouwd op een bijzondere manier. Ze hebben een grote façade, maar tegelijk zijn ze opmerkelijk ondiep. Ze zijn op die manier gebouwd om door hun vooraanzicht zo veel mogelijk indruk te maken. Dat is Bordeaux op zijn smalst. En het is typerend voor Bordeaux. Je moet vooral luxe uitstralen.

Maar bij deze oogst vertoont de façade de nodige barstjes. Natuurlijk hoorden we van te voren dat men erg tevreden is over deze jaargang. En natuurlijk, we hebben de afgelopen dagen prachtige wijnen geproefd. Maar op de achtergrond moet worden erkend dat alleen machtig, donker en diep niet voldoende is. Want de wereld is veranderd, en dat is heel lastig voor Bordeaux. In het verleden moesten van niet zo rijpe druiven volle en krachtige wijnen worden gemaakt – toen de mode. Nu moeten van druiven met veel concentratie en tannine elegante wijnen worden gemaakt, dus exact het tegenovergestelde. En in warme en droge jaren als 2025 is dat extra moeilijk. Toch zijn veel wijnen prachtig, maar wie gaat ze kopen? Peter Sisseck (Château Rocheyron): ‘De situatie is heel vreemd. In Bordeaux worden betere wijnen gemaakt dan ooit. En niemand wil ze kopen. De wijnen van vroeger waren duidelijk minder, en die gingen als warme broodjes. Enorm frustrerend.’

Want anders dan de positieve gezichten bij de verhalen over de kwaliteit, speelt op de achtergrond dat er behoorlijk wat châteaux tot de nek in de problemen zitten. Jean-François Quenin (Château de Pressac): ‘Ik ben er zeker van dat er châteaux om gaan vallen. De inkopers van de luchtvaartmaatschappijen van de supermarkten hebben de prijs die ze willen betalen met de helft verlaagd. De banken verstrekken moeizaam krediet. Juist als je ze nodig hebt, zijn ze er niet. Het klinkt cynisch, maar als je buurman failliet gaat, ben je weer een concurrent kwijt. Zo zou je bijna gaan denken.’

Wie over de situatie nadenkt, komt inderdaad tot de conclusie dat een pijnloze oplossing bijna onmogelijk is. Het is overduidelijk dan ’25 beter is dan ’24. En het is de kleinste oogst sinds 1991. Dus ‘normaal’ zou de prijs gaan stijgen. Maar ‘normaal’ bestaat niet meer. De kopers van primeurwijnen willen graag dat de wijnen die ze kopen meer waard worden, en daar is de markt op dit moment niet naar. Voor de châteaux, tegen de achtergrond van de financiële situatie, is het geld hard nodig, zeker als je kijkt naar hun kosten en de weinige flessen die ze gemaakt hebben. Het besef dat de markt heel lastig is, is er zeker wel. Maar of dat genoeg is om de prijzen laag genoeg te houden is de vraag. Bordeaux zit gevangen tussen een rock and a hard place.

Columns

Overpeinzingen: Gratis bestaat niet; te duur wel

Afgelopen week was er in Amsterdam een bijzondere actie. Op het Buikslotermeerplein arriveerden zeven ton aardappelen en wortelen, die je daar gratis af kon halen. Onlangs redde het No Waste Army nog 500.000 kilo aardappelen. Dat is nog maar 1% van de hoeveelheid aardappelen die over is van de laatste oogst en die op dit moment verloren dreigt te gaan. Ik vraag mijn aardappelboer op de Dappermarkt hoe het kan dat hij zijn aardappelen nog niet weggeeft. “Tja”, zegt hij. “Ga er maar niet van uit dat ze daar Opperdoezer aardappelen gingen uitdelen. Het gaat om minder populaire rassen en om frietaardappelen. Maar zelfs dan kan het niet gratis zijn, natuurlijk. Ik vroeg mijn grossier of hij niet met lagere prijzen zou komen. Maar die begon meteen te klagen over de hoge dieselprijzen. Dus zelfs het uitdelen van aardappelen op een plein in Amsterdam kost geld, al is het maar het vervoer van de aardappelen.”

“Ach”, sluit hij af. “Boeren klagen altijd. Let maar op. Veel boeren verbouwen volgend jaar iets anders en dan wrijven de overgebleven aardappelboeren zich in de handen en verhogen ze de prijzen.”

Hm. Daar zit wat in. Zoals ik al vaker constateerde, zijn Franse boeren wereldkampioen klagen – een twijfelachtige eer. Na de eigen regering hebben ze nu een andere zondebok gevonden: restaurateurs en hun sommeliers. Het past in een patroon. Er wordt te veel wijn geproduceerd, en anderen moeten dit probleem oplossen. De boeren klagen dat de prijs van een fles wijn vijf keer ‘over de kop’ gaat, voor hij in het glas van een liefhebber terecht komt. Tja, voor Nederlandse begrippen is dat nog niet eens zo slecht, hier is het meestal meer. Restaurateurs verdedigen zich uiteraard tegen deze verwijten. Het is niet zo gek, natuurlijk. In een stad als Parijs is de situatie weinig anders dan in -pakweg- Amsterdam. Als je kijkt naar de kosten die restaurants hebben, alleen al aan huur, dan begrijp je dat ze érgens hun geld mee moeten verdienen. En dan laten we alle andere kosten nog buiten beschouwing: schaars personeel met hoge looneisen, producten die door schaarste en inflatie hard in prijs stijgen, noem maar op. De sluiting, eind mei, hier in Amsterdam, van Spectrum, met twee Michelin-sterren, zegt in dat opzicht genoeg.

Toch hebben de wijnboeren een punt, we moeten eerlijk zijn. Want hoewel de restaurateurs natuurlijk hun geld moeten verdienen, is het wel een keuze waarmée ze dat verdienen. Als je werkt met wijnen die vijf, zes of zelfs zeven keer ‘over de kop’ gaan, dan wordt het lastig de duurdere flessen te verkopen – behalve heel bijzondere flessen aan gasten die toch geld genoeg hebben. Maar ja, de prijzen van de menu’s en gerechten verhogen is vaak ook lastig.

Keer op keer hoor ik van restaurateurs die daar ervaring mee hebben, dat een vaste opslag voor de duurdere flessen veel beter werkt. Er worden op die manier betere flessen verkocht, en dat maakt de gasten blij. De paradox is dat je bij het ‘klassieke’ systeem niet meer verdient – de gasten kiezen dan een mindere, en goedkopere wijn. Helaas durven niet veel restaurants die stap te zetten.

Maar hoewel ik denk dat er op die manier meer betere flessen zouden worden verkocht, kan ik me niet voorstellen dat er ook meer wijn zal worden geschonken. Dus ik vrees dat de wijnboeren voor een oplossing ergens anders moeten zijn. Misschien wel bij zichzelf.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Politici weten zich met crisis geen raad

In de NRC van afgelopen zaterdag stond een recensie van een boek over het kapitalisme, geschreven door de Amerikaanse historicus Sven Beckert. In deze recensie staat dat de auteur beschrijft hoe het einde van het kapitalisme, een begrip dat stamt uit de 19e eeuw, al talloze malen is voorspeld. Maar volgens Beckert is ‘het kapitalisme te flexibel om zich voor één gat te laten vangen […] en zo dynamisch dat het nog steeds allerlei domeinen van het menselijk leven waar ook ter wereld weet binnen te dringen.’ Interessant.

Misschien niet geheel toevallig wordt het einde van het kapitalisme niet zelden voorspeld door Fransen, zoals de econoom Piketty of de historicus  Arnaud Orain, die stelt “dat het huidige ‘roofkapitalisme’ zal uitdraaien op oorlog waarin de liberale economische orde zal opbranden.’

Ik ben gelukkig geen econoom, maar dat is Arnaud Orain evenmin. Wellicht heeft hij gelijk, en is de huidige stand van het roofkapitalisme het begin van het einde. Maar dat met zekerheid voorspellen lijkt me nogal gewaagd.

Het probleem van de huidige politieke situatie in het algemeen lijkt me dat economen weinig invloed hebben op de economische situatie. Deze wordt nu vooral bepaald door een bewoner van het Witte Huis die zo op het oog niet zoveel verstand van economie heeft. Wel van roofkapitalisme, overigens. Misschien kan hij als fakir op een Perzisch tapijt nog wat wonderen verrichten. Ga er maar niet vanuit. Ik kan me herinneren dat genoemde bewoner een andere regeringsleider toebeet: “You don’t have the cards”. Misschien is dat nu wel van toepassing op zijn eigen situatie, maar dat zal hij nooit toegeven.

Ik wil geen doemdenker zijn, maar het kan zomaar gebeuren dat we aan het begin staan van een crisis waarvan we de ernst nog lang niet overzien. Net als destijds bij COVID. Ook wij zijn niet immuun voor de groeiende brandstoftekorten.

Ik moest denken aan een interview dat ik afgelopen week hield met Michel Chapoutier, PDG van het gelijknamige handelshuis in Tain l’Hermitage, voor Perswijn #4. We spraken over de crisis en over de situatie in wijnland. Een crisis die door de huidige problemen met de brandstoftoevoer en hoge dieselprijzen alleen maar erger wordt. Als je Chapoutier moet geloven, past het betoog van de genoemde Franse auteurs, net als de Taxe Zucman, een voorstel om vermogens boven 100 miljoen extra te belasten, in een lange Franse traditie. Frankrijk als laatste communistische land van Europa, zeg maar – mijn woorden, niet die van Chapoutier. Maar het komt er wel op neer.

Hij ziet de steun aan de Franse (wijn)boeren als een uitvloeisel van de klassenstrijd, die hier nog steeds bestaat. Waarbij de regering de boeren, zeg maar de onderklasse, automatisch steunt, als de crisis toeslaat. En die slaat toe, dat moge wel duidelijk zijn. Chapoutier noemt de nieuwe wet die in de maak is, de ‘loi d’urgence agricole’ als voorbeeld van deze gedachtegang – en hoe het niet moet. Dat wordt geregeld dat er tegen een vergoeding wijngaarden kunnen worden gerooid, of wijn kan worden gedestilleerd, dat vindt niemand gek. Maar Chapoutier zegt dat hierbij ook sprake is van de invoering van een minimumprijs voor wijn. Dat om de boeren een fair inkomen te bezorgen, omdat wijn dan niet meer voor te lage prijzen mag worden verkocht. Maar wie gaat deze wijn dan nog kopen? Dat vraagt de Franse regering zich kennelijk niet af. Want de oorzaak van de lage prijzen is een gebrek aan vraag, en die zal met hogere prijzen allicht niet worden hersteld, lijkt mij zo.

Dus we mogen rustig stellen dat de Amerikaanse regering niet de enige is die verkeert in een wereld die totaal los staat van de economische realiteit. Een beangstigende gedachte.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Verpakkingen veranderen – de consument ook?

Afgelopen dagen was ik op pad in Italië. In Tortona, om precies te zijn, om daar de lokale witte wijnen te proeven, gemaakt van de uit zijn as herrezen timorasso-druif. Zo’n reis bestaat uit bezoeken aan wijnboeren en uit proeverijen. Blinde proeverijen ook, waarbij de Italianen zoveel praten dat ze ook met de helft van de tijd hadden toegekund. Maar ondanks alle gepalaver blijven deze proeverijen interessant, want zo krijg je het beste overzicht over de streek en wat er allemaal gebeurt.

Maar dat niet alleen. Er zijn altijd ook kleine zijpaadjes die mijn aandacht trekken. Zo meende mijn Italiaanse buurman tijdens een van deze proeverijen een fles met kurk te ontwaren. De reactie achter de tafel van de producenten was ontnuchterend. De betreffende wijn had een schroefdop, dus waar had hij het over? Tja, in alle eerlijkheid had ik ook geen kurk geroken, dus niet onbegrijpelijk. Hij kreeg ook geen wijn uit een tweede fles aangeboden.

Bij een andere proeverij werd trots gemeld dat van de bijna zestig wijnen, er negentien waren met een schroefdop. Voor ons, als nuchtere Hollanders, lijkt dat weinig bijzonders. Maar in een behoudend wijnland als Italië is dit revolutionair te noemen. Wij zijn inmiddels aardig gewend aan schroefdoppen. Zeker in de wetenschap dat ook topwijnen uit landen als Oostenrijk, Nieuw-Zeeland en Australië tegenwoordig gewoon een schroefdop hebben.

Toch kost het tijd om dit soort dingen te veranderen. Voor topwijnen uit Bordeaux is een schroefdop nog steeds een brug te ver. Château Couhins-Lurton kwam enkele jaren geleden met een schroefdop, maar trok dat na veel kritiek – een Grand Cru Classé met een schroefdop!- terug en kwam weer met kurken – in dit geval van DIAM. Dat is een soort geperste en behandelde kurk die feitelijk ook een garantie geeft dat er geen ‘kurk’ in de wijn komt.

Bij een proeverij in de Languedoc kwam er onlangs nog een kunststof ‘kurk’ uit de fles. Weet u het nog? Die waren een paar jaar geleden populair als vervanger van natuurkurk, maar die zijn nagenoeg verdwenen en vaak ook door DIAM vervangen. Kunststof gaf te veel problemen, onder andere door lekkage, dus die innovatie bleek weer niet zo succesvol. In tegenstelling tot de wél succesvolle schroefdop.

Sommige veranderingen gaan op een natuurlijke manier, andere moeten worden afgedwongen – ze vereisen een gelijk speelveld. Zo waren chique capsules ooit gemaakt op basis van lood. Pas toen dat verboden werd, kon dat veranderen. Iedereen was bang dat het ten koste zou gaan van het imago. Maar als iedereen er toe wordt verplicht, dan pas is het moment gekomen om je er bij neer te leggen. Domweg omdat er geen verschil meer is tussen jou en je buurman – stel je toch eens voor. En het viel allemaal reuze mee, met dat imago.

Hetzelfde geldt voor het gewicht van wijnflessen. Nog altijd zie je belachelijk zware wijnflessen op de markt. Eerlijk gezegd vooral uit ‘nieuwe’ wijnlanden als Argentinië of Zuid-Afrika, maar net zo goed ook van elders. Het is een psychologisch effect, net als bij een loden capsule. Het suggereert kwaliteit, chique, en dat werkt gewoonweg ook zo. Maar met een aandeel van het maken van het glas van 30 tot zelfs 50% in de CO2-voetafdruk van een fles wijn, is daar met lichtere flessen goed op te bezuinigen.

Ik kom daarmee weer terug in Tortona. Voor de DOC voor Timorassa die daar in de maak is, Derthona, wordt straks voorgeschreven dat een fles maximaal 400 gram mag wegen. Op die manier maak je het speelveld voor alle producenten gelijk, verlaag je de emissie broeikasgassen en ook nog eens de transportkosten van de wijn.

In een wereld waarin fossiele brandstoffen in het brandpunt van de belangstelling staan, zijn dit allemaal kleine, maar toch hoopgevende stapjes.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: Michel Rolland overleden – een wijnicoon is niet meer

Vlak voor het weekend kwam het bericht dat Michel Rolland op 78-jarige leeftijd is overleden. Daarmee is een van de ‘grote’ namen van de wijn niet meer onder ons. Hoewel voor sommigen controversieel, mogen zijn kwaliteiten en invloed niet worden onderschat. 

Tegenwoordig zegt iedereen het: ‘goede wijn wordt gemaakt in de wijngaard’. Op het moment dat Michel Rolland, in de jaren zeventig, zijn oenologisch laboratorium oprichtte, samen met zijn vrouw Dany, was dat allesbehalve vanzelfsprekend. Rolland was een van de eersten die het belang van perfect rijpe druiven onderkende. Dus hij vertelde de producenten in Bordeaux dat ze meer de wijngaard in moesten voor een betere kwaliteit druiven.

Maar dat was niet het enige. In de kelder gebruikte hij die rijpe druiven voor het maken van wijnen met zachte tannine, rijkdom en diepgang. Dat was in een tijd dat de wijnen, mede door hoge rendementen niet écht rijp waren, met een jaargang als 1975 als sprekend voorbeeld.

De opkomst van Rolland viel samen met de doorbraak van wijncriticus Robert Parker, met de oogst van 1982 in Bordeaux. 1982 was het perfecte voorbeeld van de stijl waar zowel Parker als Rolland naar zochten: rijp, vol en heel zacht. Sommige critici meenden dat ’82 niet lang zou meegaan, maar Parker geloofde heilig in de jaargang. Achteraf terecht. De meeste ’82-ers zijn nog altijd heerlijk.

De mannen ontwikkelden een vriendschap die beiden ten goede kwam. Rolland maakt de wijnen in een stijl die Parker graag hoog beoordeelde: rijp, machtig en met een forse dosis hout. Als je Rolland inhuurde als consulent, kon je er praktisch zeker van zijn dat je wijn bij Parker op de proeftafel kwam, met een gerede kans goed te worden beoordeeld.

Dat legde Rolland geen windeieren. Hij vond het concept flying winemaker al doende uit. Hij adviseerde tientallen châteaux wereldwijd, waaronder Harlan Estate en Ornellaia. De kritiek – wellicht ook uit jaloezie – was dat hij het wijnmaken standaardiseerde volgens een vast recept. Deze kritiek was natuurlijk niet helemaal ongegrond. Maar hij maakte wel moderne Bordeaux, veel zachter en drinkbaarder dan voorheen. Tegenwoordig wil niemand meer anders. Wel is de houtrijping tegenwoordig veel minder, maar door rijpere tannine ook minder nodig.

Een dieptepunt voor Rolland was de film Mondovino van Jonathan Nossiter. Rolland verleende zijn medewerking en sprak vrijuit. Maar de gesprekken waren zo ‘geknipt’ dat er een negatief beeld werd geschetst. Rolland, cigarillos rokend op de achterbank van zijn limousine, aan de telefoon met château-eigenaren om te vertellen hoe ze houtrijping of micro-oxygenatie moesten geven. De kritiek was niet mals.

Maar mensen die met hem werkten wisten hoe goed hij was. Hij kon meer dan 150 wijnen proeven en onthouden, waardoor hij een meester was in het maken van de juiste blends. Bij Marqués de Cacéres werd me ooit verteld dat Rolland alle tanks proefde en dan uit zijn geheugen precies kon zeggen welke tanks gecombineerd moesten worden voor de verschillende wijnen van het huis. Een ongekend talent. En zijn streven naar perfect rijpe druiven en wijnen is door de huidige generatie wijnmakers voortgezet en geperfectioneerd.

Privé was hij ook altijd vriendelijk en benaderbaar, nooit arrogant of uit de hoogte. Een liefhebber van mooie wijnen en altijd goed voor een humoristische opmerking. Kritiek op zijn manier van werken pareerde hij met de opmerking dat de wijnen die hij maakte door de wijndrinkers werden gewaardeerd. En daar ging het volgens hem om.

Met het overlijden van Michel Rolland en het pensioen van Robert Parker komt er een definitief einde aan een periode die grote invloed heeft gehad op het wijnmaken wereldwijd en dat in Bordeaux in het bijzonder.

Ronald de Groot

Columns

Overpeinzingen: De Nutella-generatie

In een artikel in de Volkskrant van afgelopen zaterdag wordt beschreven hoe onze nieuwe premier actief is op sociale media. Er zit een heuse strategie achter, waarbij de aanwezigheid op werkelijk alle bestaande platformen van belang blijkt. Want elk platform heeft zijn eigen generatie gebruikers. Deze zijn op de volgende manier grofweg verdeeld over de verschillende platformen aldus het artikel: Facebook is voor boomers, Instagram voor millennials en TikTok voor gen-Z’ers. Nu heb ik zelf nog altijd twijfel over tot welke generatie ik behoor. Sommigen noemen mij een boomer, maar ik heb mijn leven lang het idee gehad dat ik daarvoor te laat geboren ben. Ik had in elk geval het sterke gevoel dat de ‘echte’ boomers alle leuke baantjes voor mijn neus hadden weggekaapt.

Tenminste één generatie mis ik in het overzicht: de Nutella-generatie. Onderweg naar de Languedoc kwamen we afgelopen week in een hotel waar op het ontbijtbuffet een pot nutella stond ter grootte van een klein formaat regenton. De Nutella kon er met een kraantje aan de bovenkant uit worden getapt. Ik heb veel gezien, maar dit vond ik toch wel weer heel bijzonder. Hoe kan een product dat voor de helft uit suiker bestaat en ook nog eens 20% palmolie bevat, zó populair worden? En dan ook nog overal te krijgen is, tot in Nutella-winkels en -café’s aan toe. En je vindt dan ook nog snoep met Nutella in de winkels en zelfs croissants gevuld met Nutella. Brrr.

Het vreemde is eigenlijk dat veel overheden en wetenschappers waarschuwen voor het (overmatig) gebruik van suiker. Maar ondertussen lijkt het wel of de smaak van veel mensen steeds zoeter en zoeter wordt. Het is ook lastig. Zoet en suiker is overal. Het begint al op jonge leeftijd met frisdranken en fruitsappen. Snoep en ander slechts ligt overal voor het grijpen.  

Ik heb zo’n gevoel – bewezen is het niet – dat deze trend de overstap naar wijn in het algemeen en naar meer serieuze wijnen in het bijzonder, er niet gemakkelijker op maakt. Het is veel gemakkelijker over te stappen naar cocktails of mocktails, die gezegend zijn met het nodige zoet – daar is het vruchtensap weer. Daarbij spelen sociale media en influencers ook nog een grote rol in, en trendgevoelige consumenten pikken dat dan gemakkelijk op.

Wijn laat zich op deze manier lastig verkopen, dat is wel duidelijk. Wel wordt met (licht)zoete wijnen ingehaakt op deze trend, met Prosecco en Pinot grigio uit de regio Veneto als voorbeeld. Over Primitivo zal ik het maar niet hebben.

Hoe gaat de wijnindustrie hier uit komen? Ik sprak hier over met Lenz Moser, afgelopen vrijdag, in het kader van een artikel over zijn project met Chinese wijnen. Hij relativeerde de huidige trend. ‘Je maakt elke twintig jaar wel een nieuwe cyclus mee, dan weer naar wit, dan weer naar rood.’ Toch zag ook hij wel degelijk een generatieprobleem. ‘Millenials zijn lastig, die drinken iets anders, we moeten dichter bij deze jongere klanten gaan zitten, die oude sterven uit.’ Het is veelzeggend dat de productie van het project, waar vrijwel alleen cabernet sauvignon staat aangeplant, tegenwoordig voor een derde uit witte wijn bestaat – op basis van cabernet sauvignon. Ook wordt er een rosé mee gemaakt. Kennelijk is ook hij gedwongen de trend te volgen. En bovendien komen de wijnen, die van zeer rijpe cabernet uit een woestijnklimaat zijn gemaakt, vrij zoet over, met een alcoholgehalte van 14,5%. Dus wijnen die in de smaak vallen bij wijndrinkers die niet vies zijn van een wat zoetige smaak. Wellicht werkt het om de Nutella-generatie te plezieren, maar een structurele oplossing biedt dit niet. Daar is écht meer voor nodig. Ik vrees ook dat het idee van golfbewegingen tussen rood en wit iets uit het verleden kan zijn. Ik denk dat de trend naar meer zoet en de veel grotere invloed van sociale media roet in het eten gooien.

Ronald de Groot

1 2 3 86
Page 1 of 86