Overpeinzingen: De macht van (wijn)taal - Perswijn
Columns

Overpeinzingen: De macht van (wijn)taal

Dat ik elke week op deze plaats een ‘overpeinzing’ schrijf, zou ik aan het begin van mijn wijnschrijfcarrière nooit voor mogelijk hebben gehouden. Schrijven moet je leren, is mijn ervaring. Eigenlijk begon ik als wijnproever, en ben ik pas later meer en meer over wijn gaan schrijven. Voor mijn wijnschrijfcarrière schreef ik wel, maar dat waren leuk betaalde uitstapjes, zoals twee delen van de ‘Nieuwe Medische Encyclopedie’ van Lekturama, een over de ademhalingswegen en een over hart en bloedvaten, samen met mijn goede vriend Gijs Geskes. Het was begin jaren tachtig. Pure nostalgie, schrijven op een typemachine met zes doorslagen.

En hoewel ik nu gemakkelijker schrijf dan vroeger, kijk ik nog altijd met jaloezie naar de columns van ‘echte’ schrijvers. Zoals Tommy Wieringa, die elke zaterdag een prachtige column schrijft in de NRC. Of Arnon Grunberg, die ooit op de voorpagina van de Volkskrant stond met zijn ‘Voetnoot’, niet meer dan 150 woorden, zes dagen per week, zonder ooit een dag over te slaan. Wat je ook van hem vindt, het is razend knap om in zo weinig woorden een punt te maken.

In dat opzicht moet ik mijn leraar Nederlands toch gelijk geven, hoe onrechtvaardig ik het destijds ook vond. Hij weigerde opstellen die bestonden uit een betoog hoger te geven dan een acht. Alleen verzonnen verhalen konden van hem een hoger cijfer krijgen. Dus hoe goed mijn opstellen ook waren, hoger dan een acht heb ik van hem nooit gekregen.

Ik moet hier aan denken door de aangekondigde versoepeling van de taalregels – ook onderwerp van de column van Wieringa. Meest in het oog springende versoepelingen (het lijkt covid wel) zijn het toestaan van ‘groter als’ naast ‘groter dan’, het zonder onderscheid door elkaar gebruiken van ‘hen’ en ‘hun’ en het toestaan van dubbele ontkenningen, zoals ‘nooit geen’. Nu lees je onmiddellijk als disclaimer dat het niet zo verstandig lijkt om deze versoepelingen direct toe te passen op het moment dat je een sollicitatiebrief schrijft. Waarschijnlijk komt dat toch wat klunzig over, en het risico dat jouw brief terzijde wordt gelegd ten gunstige van een in foutloos ‘ouderwets’ Nederlands geschreven epistel, zul je niet zo gauw willen nemen, vermoed ik zo.

Voor het maken van een wijnblad geldt hetzelfde. Onze lezers zouden het ons waarschijnlijk niet in dank afnemen als we deze versoepelingen per direct zouden toepassen. Als redactie discussiëren we natuurlijk graag over ons taalgebruik, en dat het allemaal niet te moeilijk – en niet té technisch – moet zijn. Maar taalfouten, toegestaan of niet, verstoren toch de leesbaarheid, althans zo ervaar ik het. Ik heb op de lagere school goed leren spellen en de grammatica goed onder de knie gekregen – kom daar nu nog maar eens om – maar een taalfoutje is gauw gemaakt. Gelukkig heeft Perswijn een eindredacteur die niet alleen wijnliefhebster is, maar die ook is gepromoveerd in Nederlandse taal en letteren. Een geruststellende gedachte. Want een wijnblad zonder taalgevoel en met een hoofdredacteur die de taalregels niet kent en beheerst, lijkt me voor de lezer geen prettige ervaring.

Ronald de Groot

Reageer op dit item