Afgelopen week was het tijd voor onze jaarlijkse proeverij van Nederlandse wijnen. Voor ons altijd een bijzonder moment. Even kijken wat de stand van zaken is in Nederland wijnland. Zeker met de fraaie oogst van 2025 is dat beeld bepaald niet negatief. Je ziet dat de ervaring toeneemt en dat ook de wijngaarden ouder worden. Ook is voor veel wijnboeren ook duidelijker wat je beter wel – of niet kunt planten. Goed beschouwd heeft de wijnbouw in Nederland maar een korte geschiedenis, eigenlijk pas serieus sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Een enkel domein – met name de Apostelhoeve – ziet inmiddels de derde generatie aantreden, voor Nederland uniek. En elke generatie heeft weer meer kennis en ervaring.
Na afloop hadden we daar nog een gesprek over. Ronald Wortel, die jarenlang in Nieuw-Zeeland woonde, vertelde dat ze daar met verbazing kijken naar de Europese wijnbouw. Nieuw-Zeelandse boeren kijken vaak strikt economisch naar de wijnbouw. Op het moment dat wijn niet meer rendeert, dan begin je met iets anders. Appelen bijvoorbeeld. Of iets anders, waarmee je wél geld kunt verdienen. Dat Europeanen zo vasthouden hun wijnbedrijven, is in hun situatie ondenkbaar.
Maar voor ons, Europeanen, ligt de situatie heel anders. Natuurlijk zijn er ook hier wijnboeren die vooral aan de korte termijn denken, en die bereid zijn hun wijngaarden op te geven. Of boeren die wel aan de lange termijn denken, maar waarbij de bodem van de schatkist door de crisis in zicht is, zodat doorgeen gewoon geen optie meer is.
Maar in de Europese situatie zien we ook veel familiebedrijven die al generaties lang actief zijn in de wijnbouw. Dat geef je niet zomaar op. In een land als Duitsland zijn veel bedrijven soms wel zeven, acht of negen generaties in handen van dezelfde familie. De Toscaanse adel heeft een lange geschiedenis van wijngaardbezit. Ook in Frankrijk zie je dit soort families met een lange wijnbouwtraditie. Wellicht heeft zo’n familie in de loop van de jaren al vele malen een crisis meegemaakt. Druifluis, oorlogen, noem maar op. De blik bij zulke bedrijven is dan ook veel meer gericht op de lange termijn. Dat past natuurlijk ook bij de aard van deze bedrijfstak, met een aanplant van wijngaarden die tientallen jaren moeten meegaan. Maar hoe lang nog?
Tegelijkertijd moeten we constateren dat elke crisis weer anders is. Het lijkt wel of tegenwoordig alles veel sneller gaat. Wellicht door internet en sociale media, die vooral bij jonge consumenten een duidelijke invloed lijken te hebben op het consumptiegedrag. En omdat de veranderingen zo snel gaan, is het voor wijnboeren, zeker voor familiebedrijven die naar de lange termijn kijken, moeilijk om zich zo snel aan te passen. Bovendien hebben zulke bedrijven, zeker in een land als Duitsland, ook te maken met oude, trouwe klanten, die veranderingen in de wijnen van hun geliefde domein niet op prijs stellen -wat verandering ook weer in de weg kan staan. Zo zijn juist dit soort bedrijven gevangen tussen een rock and a hard place, zoals de Engelsen dat zo mooi noemen. En van wijnbouw overstappen naar de teelt van appelen, dat is in de steile wijngaarden langs de Moezel nu eenmaal geen optie. Dan zijn ze in de Provence beter af. Daar zie je wijnboeren overschakelen op pistache, het nieuwe groene goud, voor de nieuwste rage: Dubai-repen. Want de jongeren houden van zoet. Tot ook die hype weer over is en iedereen weer terug is bij af.
Het volgen van de laatste trend lijkt me dan ook geen goed idee. Vasthouden aan je lijn, het maken van goede wijnen en niet alleen maar trendgevoelig zijn, lijkt me verstandiger. Maar gemakkelijk is dat zeker niet. Maar in de geschiedenis leert dat na elke crisis weer betere tijden komen. Iets om ons met zijn allen aan vast te houden.
Ronald de Groot


